zaterdag 13 maart 2010

bergen en valleien

Zo hier zijn we weer.


Vanaf Manapouri zijn we richting Queenstown gereden. Queenstown is de doe stad van de wereld en je kunt het zo gek niet bedenken of ze doen het daar. Bungeejumping, wildwatervaren, jet boat varen, skydiven, parasailen, 4x4 rijden enz enz… aan dit alles hangt natuurlijk een enorme prijskaart en niets is meer uniek. Als je door het centrum rijdt is het alleen maar extreem en adventure wat de klok slaat. Het is een massa productie voor de toerist geworden. Nu hadden wij van te voren nog het idee om hier wat tijd te besteden om leuke dingen te gaan doen, maar na al het moois wat we in de fjorden hebben beleefd is het hele Queenstown gebeuren een beetje overdone en al helemaal niet echt. We zijn er dus door heen gereden, hebben aan het water even de benen gestrekt en hebben het al weer snel achter ons gelaten. Via een bergpas zijn we vervolgens naar Wanaka gegaan. Dit is een stadje omgeven door ski gebieden en ligt aan een groot meer met de verrassende naam: Lake Wanaka. Het is een echt bergstadje met een hoog jetset gehalte in de vorm van dames met veel te grote zonnebrillen en porsches met hun eigen naam als kenteken. Om toch een beetje back to basic te gaan hebben we net buiten Wanaka de nacht door gebracht op een zogenaamde informele camping. Op deze camping is wat koud stromend water en 2 toiletten. De receptie bestaat uit een houten kastje met daarin enveloppen waar je je sta geld in kan doen. De locatie was prachtig aan een wild stromend riviertje waarin we nog “lekker” hebben liggen dobberen, het was smeltwater, maar wel lekker na al weer een warme dag. Na wat kokkerellen hebben we nog even in het pikkedonker van een heldere sterrenhemel genoten en onder het genot van een lokaal flesje wijn een hoop vallende sterren gezien. Omdat we toch geen echte kampeerders zijn hebben we de volgende ochtend in Wanaka een heerlijk ontbijtje met een grote kop cappuccino genomen en via de supermarkt zijn we weer verder op pad gegaan. Het volgende doel was het plaatsje Twizel. De rit hier naar toe was mooi maar weinig afwisselend, je rijd er door valleien en alles is dor. Na al het moois wat we al gezien hebben zijn we natuurlijk best verwend. Het is een gebied waar vroeger veel goud gevonden is en het lijkt dan ook of de tijd sinds dien stil heeft gestaan. In de middag kwamen we door het stadje Omarama en ons slimme kastje in de radio begon te vertellen dat het hier een paradijs voor zweefvliegen is vanwege de perfecte thermiek. Wij besloten om eens te kijken op het vliegveld en misschien eens een vluchtje te wagen. Eenmaal op het vliegveld was er ook de mogelijkheid om een rondvlucht te maken in een ouderwetse dubbeldekker en toen waren we verkocht. De rondvlucht was in een oude rode open dubbeldekker inclusief outfit nl: leren helm met bril, dikke leren jas en voor Rechel natuurlijk een witte zijde sjaal. Het mooiste was dat we met ons tweetje voorin konden zitten. Na een uitleg en een safety briefing moest het oude beestje eerst nog 15minuten warm draaien voordat het de lucht in kon. En toen vanaf een al net zo oud knollenveld het luchtruim in met de wind in je gezicht werkelijk fantastisch!! Wat ook opviel is dat op een steenworp vanaf de weg die zo eentonig leek er een oase aan water ligt met een onwerkelijk blauwe kleur. Deze diep blauwe kleur komt van het smeltwater van de omliggende gletsjers. Ook hebben we de nabijgelegen waterkrachtcentrale en bijbehorende stuwdam vanuit de lucht bekeken. Dit was vlucht die we niet snel zullen vergeten.



Na een uitstekende nacht in Twizel zijn we richting Arthurs pass gereden. De route ging via 2 prachtige meren, Lake Pukaki en Lake Tekapo. Bij Lake Pukaki heb je uitzicht op Mt Cook (de hoogste alp van NZ) en bij aankomst was de ochtendnevel net aan het optrekken waardoor de berg met z’n witte top er mooi bij lag, al met al weer een prachtig plaatje. Vervolgens bij Lake Tekapo een lekker hollands bakkie gedaan op het strand. Het volgende stuk van de rit was vlak tot aan Mount Hutt waar het weer bergie op en af ging. Opnieuw was de temperatuur bijna tropisch en is het een raar gezicht om langs allerlei skigebieden te rijden. Uiteindelijk kwamen we bij de afslag naar Arthurs pass die ons naar de westkust zal brengen. Deze weg is ook weer een plaatje en vlak voor het plaatsje zelf hebben we de nacht doorgebracht aan een meertje. Bij dit meertje was kamperen toegestaan en hier stonden we dan met een aantal andere campers die dit paradijsje in de bergen hadden gevonden. Na een lekker maaltje en alweer een lokaal flesje vroeg onder de wol gekropen want morgen moet er gewandeld worden en hoe.



Inderdaad in het lokale national park hebben we 2 wandelingen uitgezocht. De eerste wandeling duurt een uurtje en brengt ons naar de “devils punchbowl” , een enorme waterval. het uurtje is wel meteen goed wakker worden want het is of steil omhoog of net zo steil weer omlaag. Wat we trouwens ook voor het eerst meemaken is regen, we hebben het overal wel gehoord en het is natuurlijk niet voor niets zo groen maar toch het is eventjes wennen. Aangekomen bij de waterval is het alweer, het is bijna eentonig, heel erg mooi. Na het genieten van al het moois gaan we weer terug naar het dorpje waar we onszelf te goed doen aan een lekker kopje koffie en een broodje. De volgende wandeltocht duurt 4uur en gaat door een vallei die zijn oorsprong vind bij een gletsjer. Het begin van de tocht brengt ons eerst via een stroompje naar het begin van de vallei. Wat eerst nog door het bos gaat, gaat langzaam over in rotsblokken en water. Het begint meer op klimmen en klauteren te lijken dan op wandelen maar we vermaken ons allebei prima in deze omgeving, we weten nu het verschil tussen tracking en tramping bij tramping zijn ze het pad vergeten aan te leggen. Na 2 uurtjes te hebben geklommen komen we dan uiteindelijk bij de gletsjer aan waar we even wat brandstof tot ons nemen. Aan de voet van de gletsjer met enorme bergen om ons heen voelen we ons alweer heel klein. We zijn ook blij dat het regent want als we deze tocht hadden moeten doen met de temperaturen die we tot nu toe gewend waren was het een stuk zwaarder geweest. Moe maar voldaan komen we terug bij de camper en na een kleine pauze vervolgen we onze weg richting de westkust. We stoppen in het plaatsje Punakaiki om de nacht door te brengen. Dit plaatsje staat bekend om de pancake rocks, rotsformaties in zee die lijken te zijn opgebouwd uit laagjes. Het leukste is om dit te bekijken als het hoog water is omdat dan het water overal opgestuwd word en er overal uitspuit, de zogenaamde blowholes. Het hoogwater is s’ochtend om half 10 dus kunnen we lekker even douchen en een lekker visje op de hoek eten. S’avonds op de camping hebben we nog kennis gemaakt met een weka, een loopvogel. Dit nieuwsgierig beestje kwam even polshoogte nemen bij de nieuwe gasten voor de nacht.



We hebben alles mee bij de pancake rocks de volgende ochtend, het is hoogtij en de wind komt met een krachtje 6 tot 7 uit precies de goede richting. Het water vliegt je echt om de oren wat een geweld, na een keer of 3 op en neer te zijn gelopen, we konden er geen genoeg van krijgen, zijn we toch weer verder naar het noorden gereden richting Westport. Vlak voor dit plaatsje is er nog een zeehondenkolonie te zien. Via een korte wandeling heb je uitzicht op de rotspartij waar de zeehonden op leven en er waren ook allemaal jonge zeehondjes bij. De jonkies zijn speels en daar kun je uren naar kijken, dankzij de nu zware regen hebben we toch afscheid kunnen nemen van de beestjes en hebben we in Westport weer wat boodschappen gehaald om de campervoorraad weer op peil te brengen. Er waren ook nog paardenraces aan de gang in dit stadje en omdat elk plaatsje met meer dan 1000 inwoners wel een paardenrenbaan heeft hebben we bezoekje gebracht aan dit spektakel. We dachten dat we wel iets konden eten op de renbaan maar daar waar eten stond waren we niet echt welkom, iets met v.i.p. en etiquette van de drafsport? Voor de gewone man gaat het bij de paarden sport alleen om gokken en bier en daar is natuurlijk niets mis mee. Toch mooi even de kampioen op de foto gezet en toen maar ons eigen maaltje ge- bbq-ed op de camping. Na het eten hebben we een lekkere strandwandeling gemaakt om het eten te laten zakken. Dit is het eerste echte zandstrand wat we zagen en toen er dus 2 grote rotsen op het strand lagen moesten we daar over heen rennen. Tot onze verbazing zat tussen deze 2 rotsen, in de luwte, ineens een pinguin! Deze kleine vriend zat hier in z’n eentje en schrok van ons zoals wij van hem. We hadden onderweg wel bordjes gezien dat je moest oppassen voor overstekende pinguins maar toch raar als er zo eentje voor je neus op het strand staat. Gelukkig hadden we de camera mee dus het beestje staat op de gevoelige plaat.



Morgen worden we om half 11 in de nabij gelegen gorge verwacht waar we dit keer met een quad de boel gaan verkennen. Dit belooft natuurlijk weer wat en waarschijnlijk zit de blubber achter onze oren. Als het goed is kunnen jullie de volgende keer lezen hoe dit afgelopen is. Na dit spektakel vervolgen we onze route naar de golden bay en het abel tasman national park waar we hopelijk weer wat meer zon hebben.



Groetjes

2 opmerkingen:

  1. Wat een leuk gezicht ``De Rode Baron en zijn vriendin`` Ik kan het me helemaal voorstellen.
    Lukas, je moet een boek gaan schrijven, schitterend. Groetjes en veel liefs,Ben

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Hee daar, wat een prachtige verhalen en foto's !! Ziet er allemaal fantastisch uit en erg leuk om te lezen. Veel plezier nog, knuffel van de jongens, Els

    BeantwoordenVerwijderen